Droogmaken of nathouden
Lucas Jan Lucasse volgt in 1918 Frits Bulaëus Brack op als burgemeester van Reeuwijk. Onder zijn leiding krijgt Reeuwijk al heel snel een echt gemeentehuis (1919), aan de Reeuwijkse brug, ongeveer halverwege Reeuwijk (nu Reeuwijk-dorp) en Sluipwijk.
Lucasse is bovendien warm voorstander van de droogmaking van de Reeuwijkse en Sluipwijkse plassen. In november 1922 schrijft hij de provincie en de minister van Waterstaat om een droogmakingsplan uit 1917 alsnog uit te laten voeren. Dat is goed voor de boeren, de waterhuishouding en de bestrijding van de werkloosheid. Het antwoord is nee, want er is geen geld.
Een jaar later, 21 november 1923, probeert de burgemeester het opnieuw, nu vrijwel unaniem gesteund door de gemeenteraad. De provincie komt er zo een, twee, drie niet uit. Een ingenieursbureau uit Nijmegen moet maar een onderzoek instellen. In 1924 sturen burgemeester en wethouders een lijst met de handtekeningen van alle, circa 110 watereigenaren en onder meer ook van de dijkgraaf van Rijnland naar de provincie om het vuurtje wat op te poken.
In 1925 verschijnt het rapport van het ingenieursbureau, gemaakt door ir. R. VerLoren van Themaat. 784 ha nieuw polderland plus nog 192 van Broekvelden/Vettenbroek tegen een kostprijs van ƒ 28,50 per ha per jaar, dat moet haalbaar zijn.
Dan komen de tegenstanders in actie. Op 26 oktober 1926 ontstaat op initiatief van de Goudse VVV en gesteund door de Goudsche Courant het ‘Comité tot Behoud van de Reeuwijksche en Sluipwijksche Plassen’. De oprichtingsvergadering vindt plaats in het clubhuis van de Roei- en Zeilvereniging Gouda. Burgemeester U. Mijs van Gouda wordt erevoorzitter. Het comité heeft zowel natuur- als recreatiebehoud op het oog.
Er ontstaat een ware mediastrijd tussen voor- en tegenstanders. Uit de hoek van de tegenstanders doet vooral de jonge Goudse biologiestudent Arie Scheygrond, adviseur van het comité, van zich spreken, uit de hoek van de tegenstanders de jonge boomkweker Simon van Tol. Zelfs de landelijk bekende bioloog Jac. P. Thijsse, tegenstander, mengt zich in de discussie.
Op de achtergrond bemoeit het ministerie van Oorlog zich met de zaak: het plan zoals het er ligt, strookt niet met de Hollandse Waterlinie, dus moet er een aparte inlaatsluis komen voor het geval inundatie van de nieuwe polder nodig is. Extra kosten: drie ton. Rijkssubsidie valt er niet te verwachten.
Uiteindelijk besluiten Provinciale Staten Zuid-Holland op 19 juni 1930 het verzoek tot medewerking aan de droogmaking van de gemeenteraad van Reeuwijk van 21 november 1923 af te wijzen vanwege te grote financiële risico’s. Slechts één statenlid, Suze Groeneweg van de SDAP, rept over natuurbehoud.
Bron:
De geschiedenis van het Reeuwijkse land Steekmuseum Oudheidskamer Reeuwijk
Website: Streekmuseum Reeuwijk

