Wedstrijdkalender 

 

 Bestemmingsplan

Flyer

 

De geschiedenis van de Reeuwijkse plassen

Midden in het Groene Hart, even ten noorden van Gouda liggen de Reeuwijkse Plassen. De Reeuwijkse plassen zijn dertien plassen tussen Bodegraven en Gouda, ten oosten van het dorp Reeuwijk. Twaalf daarvan zijn veenplassen, ontstaan door turfwinning. Van noord naar zuid zijn dat: de Sloene, Ravensberg, Gravekoop, Groot Vogelenzang, 's-Gravenbroek, Klein Vogelenzang, Elfhoeven, Klein Elfhoeven, Vrijhoef, Nieuwenbroek, Kalverbroek en Roggenbroek.

De dertiende plas, Broekvelden/Vettenbroek is ontstaan door zandwinning voor de uitbreiding van rijksweg A12 en de aanleg van de Goudse wijk Bloemendaal in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw en staat ook bekend als de "Surfplas".

 

De plassen hebben allemaal een rechthoekige vorm, waarin de vroegere verkaveling van de weilanden nog valt te herkennen. De totale oppervlakte is circa 735 hectare.

 

De Reeuwijkse en Sluipwijkse plassen zijn ontstaan in de loop van de 18e en 19e eeuw. Destijds werd serieus begonnen met het afturven, dat wil zeggen het afgraven van de bovenste laag van het veen. Deze werd gedroogd en de zo ontstane turf werd gebruikt voor het verwarmen van de huizen en voor de industrie. Daarbij moet gedacht worden aan de Goudse keramiekfabriek, Goudse pijpenfabriek en ook het Goudse Kuitbier. Dit bier wordt tegenwoordig weer gebrouwen. Hoe belangrijk de turf was, kan men bijvoorbeeld zien aan de staatnamen; Turfsingel en Turfmarkt.

 

Door het steeds dieper afgraven van het veen kwam men al snel beneden het grondwaterpeil en moest men met een baggerbeugel graven. Dit is een lange stok van 5 meter waaraan een ijzeren beugel zit, waar een net in hangt welke het water doorlaat, maar waar het bezinksel (veen) in blijft hangen. Hierdoor ontstonden de plassen. Aan het eind van de negentiende eeuw vond men de plassen een bedreiging vormen voor de omliggende polders en werden er plannen gemaakt om de plassen droog te leggen. Op 20 juli 1930 werd door Provinciale Staten van Zuid Holland definitief tegen inpoldering beslist.

 

De in totaal 13 plassen worden gescheiden door smalle kleine weggetjes en kades die beplant zijn met hoofdzakelijk elzen, wilgen, populieren, essen en berken. Vroeger werden de wilgen geknot door de boeren. Zij gebruikten het wilgenhout voor oeverbescherming en bonenstaken. Ook werden de wilgentenen gebruikt om manden, fuiken en eendenkooien van te vlechten. Van de wilgenstammen werden klompen gemaakt. Tegenwoordig wordt het knotten veelal door vrijwilligers gedaan. Op deze manier is er veel van het oude landschap in takt gebleven en daar waar nodig verbeterd.

 

De plassen Elfhoeven en ’s-Gravenbroek worden tegenwoordig veel bezocht door recreanten en watersporters. Er zijn verschillende jachthavens. De achterste plassen zijn veel stiller en daar komen veel verschillende vogelsoorten voor die in de rietkragen, de struiken op de eilandjes en aan de oever broeden.

 

Rond de plassen liggen waardevolle graslanden, waar het beheer gedeeltelijk wordt afgestemd op weidevogels. Op andere delen (schraalgraslanden) ligt het accent op botanische waarden. De plas Broekvelden en Vettenbroek wordt door grote aantallen watervogels gebruikt als rust- en voedselgebied. Tijdens vorstperioden blijft deze plas door de grotere diepte langer open dan de overige plassen.

Uit de wijde omgeving bezoeken dan duizenden watervogels (onder meer kleine zwaan, smient, krakeend en slobeend) deze plassen. Verder staat het gebied bekend om het nog in redelijke aantallen voorkomen van de grote karekiet als broedvogel.

 

volgende pagina